Beeld: Johanna van Polanen.
Opdrachtgever: bestuur Stichting Begijnhof Breda
Waar staat het beeld: In de Kleine Hof van het Begijnhof in Breda

Johanna van Polanen (Breda 1392-1445) werd als 11-jarige door een gearrangeerd huwelijk de echtgenote van Engelbrecht I van Nassau-Dillenburg.
Als dochter van Heer van Jan III van Polanen, Heer van Breda en Odilia Gravin van Salm bracht ze grote rijkdom mee waardoor de Nassau-Dillenburg-tak tot de rijkste en belangrijkste adel van West-Europa ging behoren.
Vraag van de opdrachtgever:
Maak een beeld van Johanna van Polanen als afsluiting van de jongste restauratie.
1. Zoek met ons een goede plaats in het huidige Begijnhof waar door
Johanna de Wendelinuskapel(thans Waalse kerk) is gesticht.
2.
Druk in het beeld een voorname, soevereine, adellijke dame uit
3.
Geef haar grote betekenis weer als stichteres van belangrijk religieus erfgoed in de Nassaustad Breda.
Onderzoek:
Mijn eerste aanknopingspunt was haar profiel/ beeltenis die te vinden is aan de linkerkant op het grafmonument van haar man Engelbrecht I van Polanen-van Nassau in de Grote Kerk in Breda.
Daarna zoeken in archieven naar de historie van/over Johanna en naar de manier waarop een adellijke dame zich in de 15-eeuw vertoonde.
Mijn idee was om haar iets in haar handen te geven en het bestuur stelde mij een hele oude akte ter beschikking.
Het beeld:
Johanna van Polanen heb ik uitgebeeld als een statige vrouw met een vriendelijke maar onafhankelijke uitdrukking in haar gezicht.
Ze maakt een stap naar ons toe, dienstbaar en bereid.
Haar kleding en de vele juwelen getuigen van grote rijkdom.
De kap die ze draagt bestaat uit een aantal delen; de ondermuts, de band boven de wenkbrauwen loopt door in de geplooide kap met daaroverheen de omgeslagen bovenkap.
De bollen op de kap, boven de schouder, zijn bedoeld als versiering en waren indertijd rijk voorzien van edelstenen. De kin werd verborgen door de geplooide stof die aan de ondermuts werd bevestigd.
Het eerste collier was van goud met een grote parel.
Het tweede collier werd in de vorm van een platliggende kraag met een grote rijdom aan parels en edelstenen uitgevoerd.
De wijde mantel met opstaande kraag was in de zomer van dunne en in de winter van dikke soepelvallende wol gemaakt.
In haar handen draagt ze de bronzen versie van een van de oudste voorbeelden van een volledig in de Nederlandse taal opgestelde akte uit 1269.
De akte is tevens bijzonder omdat hierin de nieuwbouw van een tufstenen kerk, de voorloper van de Grote Kerk waar ik de beeltenis van Johanna vond, wordt genoemd.
Begijnhof 2015:
Uitgave van het boek 'Het geschrevene blijft'
(Verba volant scripta manent) Caius Titus 1e eeuw nC